Het kind dat verdween
Waarom kinderen vrije speelruimte nodig hebben
Opgroeien in de jaren 70 betekende elke dag onbekommerd buitenspelen. Voor de kinderen die nu opgroeien is dat veel minder vanzelfsprekend. Veel te veel kinderen krijgen hulp bij het opgroeien. Al jaren groeit de vraag om jeugdhulp, inmiddels is het jeugdzorggebruik schrikbarend hoog. Het tij keren lukt vooralsnog niet. Dat maakt de vraag des te urgenter waar de toename van ervaren problemen bij opgroeien en opvoeden vandaan komt.
Drie Amerikaanse onderzoekers — een evolutionair psycholoog, een antropoloog en een evolutionair ontwikkelingspsycholoog — kwamen onafhankelijk van elkaar tot dezelfde conclusie: een belangrijke oorzaak van de toename van psychische stoornissen en de daling van het welbevinden bij kinderen ligt in de afname, in de loop van tientallen jaren, van de mogelijkheden voor kinderen en tieners om samen te spelen, samen rond te zwerven en andere activiteiten te ondernemen zonder direct toezicht en controle van volwassenen.

De cijfers liegen er niet om
In de VS liep het aandeel kinderen dat zelfstandig naar school ging terug van 48% in 1969 naar slechts 13% in 2009. Tegelijkertijd nam de schooltijd toe, werd huiswerk ook op de basisschool de norm en kromp de tijd voor pauze. De gevolgen voor de mentale gezondheid zijn alarmerend: angst en depressie bij kinderen zijn de afgelopen decennia dramatisch gestegen, en het zelfmoordcijfer bij kinderen onder de 15 jaar steeg tussen 1950 en 2005 met een factor 3,5 en tussen 2005 en 2020 nogmaals met een factor 2,4. In 2019 gaf bijna 1 op de 5 Amerikaanse middelbare scholieren aan het afgelopen jaar serieus aan zelfdoding te hebben gedacht.
Hoewel deze cijfers uit de VS komen, laat ook de Nederlandse jeugdzorgdata zien dat er iets grondig mis is gegaan — en dat de oorzaak niet alleen bij mobieltjes en sociale media gezocht moet worden.
Een wereld die veranderd is
Vanaf de jaren zestig, en in een stroomversnelling geraakt in de jaren tachtig, veranderde het beeld van kinderen geleidelijk: waar kinderen voorheen werden gezien als competent, verantwoordelijk en veerkrachtig, kwam de focus van adviezen steeds meer te liggen op toezicht en bescherming (Rutherford, 2011). Hoewel kinderen op sommige vlakken — zoals de keuze in kleding of eten — juist meer zeggenschap kregen, is de vrijheid om activiteiten te ondernemen waarbij een zeker risico en persoonlijke verantwoordelijkheid komen kijken, buiten het zicht van volwassenen, sterk afgenomen.
In de opvoeding is er een groeiende spanning tussen de wens om kinderen zelfstandig en autonoom te laten worden en de dringende wens om hen te beschermen. Veelal wordt nu met een beschuldigende vinger gewezen naar schermtijd en sociale media, maar evolutionair psycholoog Peter Gray, antropoloog David Lancy en evolutionair ontwikkelingspsycholoog David Bjorklund wijzen op een dieper liggende oorzaak: de wereld waarin kinderen opgroeien is zodanig veranderd dat dit ingrijpende gevolgen heeft voor hun ontwikkeling. Kinderen worden beperkt in hun vermogen om zelfstandig te spelen, buiten het toezicht van volwassenen rond te lopen, van leeftijdsgenoten te leren, en veerkracht en zelfvertrouwen op te bouwen.
Een manier om het verband te begrijpen tussen de afname van zelfstandige activiteit bij kinderen en de achteruitgang van hun mentale welzijn is het concept van evolutionaire mismatch: het contrast tussen de omstandigheden waarin de aangeboren neigingen en behoeften van kinderen zich in de loop van de evolutie hebben ontwikkeld, en de omstandigheden die de moderne samenleving hen vandaag de dag biedt. Peter Gray:
“Vanuit evolutionair oogpunt is het hele doel van de kindertijd om kinderen de tijd en de kans te geven om karaktereigenschappen, zelfvertrouwen en het vermogen om zelfstandig te zijn te ontwikkelen. Maar om die vaardigheden te ontwikkelen, hebben ze ervaring met zelfstandigheid nodig. Kinderen doen dingen graag zelf. Dat is instinctief, maar het wordt tegenwoordig bijna uit hen verdrongen, omdat we steeds meer voor hen doen en hen steeds minder laten doen”
Gray beschrijft ook hoe de mentale gezondheid van kinderen zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld:
“Al vanaf de jaren zestig tot op de dag van vandaag is er sprake van een voortdurende, geleidelijke maar enorme toename van angst en depressie (…) In die periode zijn kinderen ook steeds minder vrij geweest om de dingen te doen die hen gelukkig maken en die de karaktereigenschappen opbouwen — zoals zelfvertrouwen, een interne locus of control (het besef dat je zelf invloed hebt op je leven), en eigen verantwoordelijkheid — waardoor ze het gevoel krijgen dat ‘de wereld niet al te eng is, omdat ik kan omgaan met wat het leven me brengt’. ”
Wat de evolutie ons leert
Dat sluit aan bij wat we weten uit de antropologie. In veel inheemse samenlevingen wordt van kinderen vanaf 5 jaar verwacht dat ze meehelpen met klusjes, en onderzoek in de ontwikkelingspsychologie laat zien dat de drang om te helpen en bij te dragen een biologische basis heeft. Kinderen zijn van nature gemotiveerd om betrokken te raken bij activiteiten van de gemeenschap, om te leren door directe ervaring, en om naarmate ze opgroeien steeds meer vertrouwen en zelfstandigheid op te bouwen.
Kinderen worden intensief gevolgd — de helikopterouders zijn een teken des tijds — maar dat heeft een prijs. Er is een mismatch ontstaan tussen wat kinderen van nature nodig hebben en waar ze vandaag de dag mee te maken krijgen. Kinderen passen zich wonderwel aan, maar niet zonder psychologische kosten: meer angst, meer depressie, en een zwakker gevoel van eigen regie.
Doorgeschoten in stoornisdenken
Wat in de VS zo zichtbaar is, speelt ook in Nederland. Sinds 2000 zien we een explosieve stijging van het jeugdzorggebruik in de groep kinderen en jongeren van 0 tot 18 jaar: van 1 op de 27 in 2000 naar 1 op de 7 in 2023. Voor jongens van 8 tot 12 jaar loopt dat op tot 1 op de 5 — bijna een kwart van alle jongens in die leeftijdsgroep!
Veel te veel ouders liggen ’s nachts wakker schreef ik in 2016 in Pedagogiek in Praktijk (Opvoedingsproblemen: diagnosticeren of normaliseren?). Dat zijn er sindsdien niet minder geworden.
In 2024 kreeg 1 op de 9 jongeren tot 23 jaar jeugdzorg, terwijl dit in 2015 nog om 1 op de 12 jongeren ging (Landelijke Jeugdmonitor 2025). Pedagoog Jo Hermanns wees al eerder op een belangrijke oorzaak: het onnodig bestempelen van problemen bij opgroeien en opvoeden als psychopathologie van het kind (Een Pedagogische Lente?, 2013):
“Dit levert een merkwaardige situatie op. Er zijn veel meer kinderen die zorg krijgen dan er kinderen zijn die volgens bevolkingsstudies problemen zouden hebben die professionele zorg nodig maakt. Zelfs het meest pessimistische epidemiologisch onderzoek komt niet tot zo een hoge schatting van het aantal kinderen dat ernstige problemen heeft. In het algemeen gaat men uit van ongeveer 2 tot 5 % die dit type hulp nodig hebben”
We zijn in de afgelopen jaren flink doorgeschoten in het stoornisdenken en het medicaliseren van levensmoeilijkheden volgens hoogleraar orthopedagogiek Laura Batstra die daarom voor een andere benadering pleit: pas niet het kind aan onze systemen aan — de labelcultuur — maar pas de omgeving aan het kind aan. Orthopedagoog Tom van Yperen verwoordde het treffend (Mulock Houwer-lezing):
“Kinderen en jongeren hebben niet alleen recht op goede jeugdzorg. Ze hebben recht op een samenleving die ervoor zorgt dat die jeugdzorg minder vaak nodig is.”
Kinderen beschermen en hen zo goed mogelijk voorbereiden op de toekomst is een goedbedoelde wens die elke ouder koestert — maar de balans is te ver doorgeslagen. Ondertussen wordt de opvoeding steeds intensiever en ervaren ouders het als zwaarder dan ooit. Uit het oog verloren lijkt dat kinderen om zelfstandig te worden ook de ruimte moeten krijgen om daarin te groeien.
Loslaten als opvoedingsstrategie
Zo bleek uit een Australisch onderzoek dat kinderen op de basisschool die actief naar school gingen — lopend, op de fiets of met de step — hogere scores behaalden op een maat voor psychisch welbevinden. Een ander Australisch onderzoek concludeerde dat middelbare scholieren met een bijbaan zich over het algemeen zelfstandiger en gelukkiger voelden dan leeftijdsgenoten zonder — niet alleen vanwege het verdiende geld, maar ook door een rijker sociaal leven en het plezier dat ze aan het werk zelf beleefden.
Dat vrij spel niet alleen leuk is, maar ook noodzakelijk, heeft neurowetenschapper Sergio Pellis — die samen met Vivien Pellis The Playful Brain schreef — laten zien. Het executief systeem van de hersenen — neurologisch gezien cruciaal voor het reguleren van emoties, plannen maken en problemen oplossen — heeft daarvoor voldoende vrij spel nodig volgens Pellis, zonder coaches, scheidsrechters of reglementen.
“In vrij spel — of dat nu stoeispel (rough-and-tumble play) is of twee kinderen die samen een zandkasteel bouwen — moeten kinderen zelf onderhandelen: wat gaan we doen? Welke regels spreken we af? En wat doe ik als mijn vriend zich straks niet aan die regels houdt?”
Bjorklund geeft ouders een praktisch advies mee:
“Schiet je kind niet meteen te hulp. Maak ze een belangrijk onderdeel van het huishouden. Laat ze helpen, moedig ze aan om te helpen. Laat ze dingen doen die een beetje riskant zijn. Laat ze eropuit gaan en de wereld ontdekken.”
Gun kinderen speelruimte. Juist ook zonder ouderlijk toezicht. Daarin sloten onze ouders en voorouders nog aan bij wat kinderen van nature nodig hebben.
Zoals David Bjorklund het zelf ooit bondig samenvatte: “Wij leven in een haastige tijd, maar kinderen hebben nog steeds de tijd nodig om kind te zijn. Anders krijgen we jeugdige grijsaards en volwassen kinderen.”
Verder lezen/kijken:
Gray, P., Lancy, D. F., & Bjorklund, D. F. (2023). Decline in independent activity as a cause of decline in children’s mental well-being: summary of the evidence. The Journal of Pediatrics, 260.
Batstra, L. (2025). Ruimte maken voor verschillen. Mulock Houwer-lezing 2025

